Buitenlandse holding: economische realiteit blijft beslissend

Hof ’s-Hertogenbosch heeft recent geoordeeld dat een dividenduitkering van € 19 miljoen door een Nederlandse BV aan een Luxemburgse holding belastbaar is in Nederland. De zaak ziet op de tekst van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb zoals die gold in 2014, maar is ook nu relevant voor de beoordeling van internationale holdingstructuren.

Wat speelde er?
Een Luxemburgse vennootschap hield de aandelen in twee Nederlandse BV’s. Boven deze Luxemburgse vennootschap zat een Luxemburgse SPF, met daarachter een in België wonende aandeelhouder.

In 2014 keerde een Nederlandse BV € 19 miljoen dividend uit aan de Luxemburgse vennootschap. Door deze tussenhoudster vond geen Nederlandse heffing plaats. De inspecteur stelde dat de structuur was gebruikt om Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan.

Oordeel van het hof
Het hof past de recente Hoge Raad-lijn toe over misbruik en buitenlandse houdstervennootschappen. Centraal staat de wegdenkgedachte: wat gebeurt er als de Luxemburgse vennootschap en de SPF uit de structuur worden weggedacht? Volgens het hof zou het dividend dan rechtstreeks bij de achterliggende aandeelhouder zijn terechtgekomen en zou Nederland hebben kunnen heffen.

De inspecteur had daarmee voldoende aanwijzingen voor misbruik. Vervolgens moest de belastingplichtige tegenbewijs leveren. Dat lukte niet. De Luxemburgse vennootschap had geen personeel, geen eigen kantoorruimte en slechts beperkte trustbestuursactiviteiten. De gestelde financieringsfunctie was onvoldoende om een reële economische functie aan te nemen.

Waarom dit nu nog relevant is
Onder huidig recht is de buitenlandse AB-regeling anders vormgegeven. Dividendbelastingmisbruik wordt tegenwoordig vooral bestreden via de dividendbelasting, de inhoudingsvrijstelling en de bredere antimisbruikleer. Deze uitspraak betekent dus niet dat ieder dividend aan een buitenlandse holding automatisch onder art. 17 Wet Vpb valt.

De relevantie zit vooral in het toetsingskader. Bij buitenlandse holdings wordt gekeken naar:

  • wat de fiscale uitkomst is als de holding wordt weggedacht;

  • of de holding een echte zakelijke functie vervult;

  • of besluiten daadwerkelijk daar worden genomen;

  • of er voldoende mensen, middelen en mandaat zijn;

  • of de zakelijke redenen concreet zijn gedocumenteerd.

Nassau-observatie
Dit arrest bevestigt dat substance geen simpele checklist is. Het gaat om economische realiteit. Voor internationale groepen, familiebedrijven en personal holdingstructuren is het verstandig om vóór dividenduitkeringen, herstructureringen, remigraties of kapitaalterugbetalingen opnieuw te beoordelen of de buitenlandse holding nog een voldoende zakelijke functie heeft.

Nassau Tax & Global Mobility helpt bij de beoordeling van internationale holdingstructuren, dividendstromen en Nederlandse bronheffingsrisico’s.

Vorige
Vorige

Maak kennis met Martin van Harten

Volgende
Volgende

Werken vanuit Spanje? Niet zonder instemming van de werkgever